De vraag naar gehoorzaamheid1

‘Waarom mag dat niet?’

De meesten hier zullen die vraag wel eens gehoord hebben, zeker als je met jongeren werkt of kinderen hebt mogen krijgen. En die vraag kan op heel verschillende manieren gesteld worden, uit interesse, maar ook opstandig: ‘Waarom mag dat eigenlijk niet, dat is toch onzin?’

Een variant op die vraag is: ‘wat vindt u eigenlijk van …’ Mijn catechisanten vragen me dat nogal eens: ‘Mag je nou eigenlijk naar een café op zondag?’ Als ze vragen ‘wat vindt u eigenlijk’ bedoelen ze ‘wat vindt de kerk’. En daarachter ligt ‘wat vindt God er eigenlijk van? En waarom vindt Hij dat?’

Dat tweede gedeelte – waarom – daar gaat het me vooral om in deze lezing. Want, om heel eerlijk te zijn, zo’n obsessie van het nadenken over wat wel en niet mag, en daar steeds maar naar vragen, of vaak zeggen: ‘ja, maar je moet ook gehoorzaam zijn’, zo’n houding begint volgens mij bij de achterkant van het verhaal. Als je het zo bekijkt dan is de wet geen levende leefregel maar een reglement van de club ‘kerk’. Tien algemene regels, waar de dominee (die heeft er voor geleerd) af en toe even de bijzonderheden van uit de doeken doet in de preek, of bij bezoeken, of bij catechisatie. ‘Hier moet je zus mee omgaan,’ ‘hier moet je zo mee omgaan’ – lekker praktisch. Daar kun je tevreden mee zijn, want het geeft duidelijkheid. Je kunt er ook narrig van worden, want het is maar lastig hoor, al die regels, maar ja, zo zijn nu eenmaal onze manieren.

Volgens mij is dat een serieus gevaar. We weten allemaal wel dat je gered wordt door geloof, maar ja – er is ook nog gehoorzaamheid. Dan komt er een hele bups met regels en wie zich daaraan houdt loopt keurig langs het pad. Aan de buitenkant lijk je dan heel vroom, maar dat is niet vroom – dat is geen godsvrucht. En daar knappen jongeren dan ook op af. Want zo vaak klinken er dan mooie woorden, maar breken die woorden op de daden van de kerk. Als je zo ‘moeterig’ met de HEER leeft, dan ben je eigenlijk bang voor God. Bang dat de verlossing door Jezus Christus toch niet genoeg is, bang dat er toch oordeel zal zijn. Natuurlijk: jij bent nou juist eigenlijk niet goed genoeg. De vrijheid van de christen wordt door die angst aan banden gelegd.

Ik hoor de tegenwerping al …

Dan kom je in een heel ander gevaar! Dat andere gevaar, dat even groot is. Misschien niet hier, maar dan toch wel in ons land. Dan wordt er gezegd: ‘Wij zijn vrij van de wet! Door Jezus Christus is alles verdiend, en nu moet je niets. Je mag het leven niet aan banden leggen.’ Maar als je zó met de wet van de HEER omgaat, dan heb je nog niet gezien dat God de Schepper is, die als God regeert en dus ook wetten geeft. De vrijheid van de christen drukt dan het ontzag voor God als God weg.

Moeten we dan er maar een beetje tussenin gaan zitten? Niet al te wettisch, maar ook niet al te onwettisch, niet al te rechtvaardig, maar ook niet al te onrechtvaardig?

 
De wet als openbaring

Dat is natuurlijk geen oplossing. We moeten juist veel dieper doordringen in wat God doet als Hij zijn wet geeft. In heel Zijn spreken laat God aan ons zien Wie Hij is. En de wetten die Hij geeft heeft Hij niet willekeurig gekozen. Ook in die wetten laat Hij zien wie Hij is en dáárom zullen wij als bevrijde mensen, mensen die van Hem zijn, ook op een bepaalde manier leven. Heel kort gezegd: omdat God liefde is moet liefde ons drijven bij alles wat we doen. En andersom: als je hoort ‘dit is Mijn gebod, dat u elkaar liefhebt’ 2, dan hoor je daarin ook dat God Zelf liefde is.

Ik wil dit wat duidelijker maken met een voorbeeld uit de bijbel. Het staat in 2 Korinte. Paulus had zich voorgenomen om naar de Korintiërs toe te gaan, maar heeft daar uiteindelijk van af gezien, om de Korintiërs te sparen, schrijft hij. Maar daar was kritiek op gekomen: ‘Wat een onbetrouwbaar figuur is dat! Het ene zeggen, maar het andere doen. Op die man kun je niet vertrouwen.’ Daar moest Paulus zich tegen verdedigen. Hij moest laten zien dat het geen lichtvaardig besluit was en dat hij niet zomaar wat zegt. Hoe laat hij dat zien? Hij schrijft: 3‘Zo waar God trouw is, wanneer ik ja tegen u zeg bedoel ik ook ja, niet nee. De Zoon van God, Jezus Christus (…) was immers ook niet iemand die ja zei en nee bedoelde. Hij belichaamt het ja. In Hem worden al Gods beloften ingelost.’ Zie je wat Paulus daar doet? God heeft Zich op een bepaalde manier laten kennen in Jezus Christus. Namelijk zo: als volledig betrouwbaar in Zijn spreken en Zijn bedoelingen. Als Jezus ‘ja’ zei bedoelde Hij ja, en niet nee. En dat Gods beloftes – Zijn spreken – betrouwbaar waren is duidelijk geworden in Jezus – Hij is het grote ‘ja’ van al Gods beloftes. Nou, wil Paulus maar zeggen, als God zó is dan willen wij Hem daarin navolgen. Uit wie God is volgt de wet voor ons leven. En in de wet die Hij geeft zien we hoe Hij is.

 
Wat God in de wet openbaart

Dat is hoe we de wet willen lezen. En wat lezen we dan?

‘Ik ben de HEER, Uw God’.

Ook een God van ver

Daarmee laat Hij allereerst zien dat Hij de Koning is van het leven. Niet iemand anders geeft de wet, maar Hij – de enige ware God. Hij is Zelf aan geen enkele wet onderworpen, maar onderwerpt het leven dat Hij geschapen heeft aan Zijn wetten. Zo is Hij niet alleen een God van nabij, maar ook van verre, zoals Jeremia zegt.4 Als dat er zo staat, dan wordt daarmee bedoeld dat wij God niet in onze broekzak hebben. Er is afstand, een absolute scheiding tussen Hem als Schepper en de mens als schepsel. Als je dat op je laat inwerken dan zie je dat God Zichzelf zo handhaaft als God. En wat is Hij daarin groot en goed, eindeloos wijs, eindeloos machtig! En wat is Zijn wet volmaakt.

Zo wekt de wet ons ontzag op.

en daarnaast van dichtbij
Maar er staat nog iets: ik ben de HEER, Uw God. De verbondsnaam, Ik ben die Ik ben. Daarmee verbindt God zich aan Zijn volk. Hij is onze God – Hij is mijn God! De wet is de wet van het verbond en wordt bewaard in de verbondsark. In dat verbond gaat de HEER een relatie met ons aan van liefde, waarin wij vertrouwelijke omgang hebben met Hem, waarin Hij ons omarmt zoals een vader zijn kind,5 en ons draagt in Zijn eeuwige armen.6 Zo dichtbij komt Hij en Hij geeft Zichzelf aan ons. Zo groot is Zijn liefde dat Hij ons gekocht heeft met het kostbaar bloed van de Heer Jezus. En in dat nieuwe verbond schrijft Hij de wet op de tafels van ons hart.7 Als je dat op je laat inwerken dan word je toch overweldigd door Gods liefde! De almachtige God komt zó dichtbij, in mijn eigen hart.
Zo wekt de wet ook vertrouwen op. Ontzag en vrijheid – ze horen bij elkaar.
En zo is de wet van de HEER, onze God het antwoord op die twee verkeerde stelling.

 
Openbaring als antwoord

Er was de stelling: ‘nu zijn we vrij van de wet, leg het leven niet meer aan banden!’ Maar dan heb je niet gezien dat God zich in de wet openbaart als God. Hij handhaaft Zichzelf en daarom handhaaft Hij Zijn liefde. Handhaaft Hij ook het recht van Zijn liefde. Omdat mensen dat recht verbraken heeft God Zijn Zoon gezonden. In de kruisiging heeft God toch ook Zijn recht gehandhaafd? Daarmee liet Hij zien dat Zijn recht eeuwig is, onverbreekbaar, omdat het uiting is van Zijn liefde en van Zijn wezen. De Heer Jezus heeft Zich in Zijn werk als Messias gevoegd naar die wet, Hij is geworden onder de wet8 en heeft, zegt de Hebreeënschrijver, gehoorzaamheid geleerd.9

Nu Hij gestorven en opgestaan is verkondigt Hij door de kerk het recht van de HEER. Lees maar eens psalm 98 op die manier.

Dat is de ene kant.

De andere kant was dat je de wet zag als een setje met regels, de spelregels van de kerk. Natuurlijk – we verdienen niets, maar je moet het wel doen! Dan is de wet een keurslijf, zo verschrikkelijk onvrij … Is het zo bij Christus geweest? Zegt Hij niet: ‘Uw wil te doen verlang ik, diep in mij koester ik Uw wet.’10 Door het geloof staan wij in diezelfde vrijheid: dat we Gods wet liefhebben als Gods wet, als openbaring van God die onze God is, van God, de HEER. De wet waarin wij Hem ontmoeten. Leer mij Uw wet: want dan ben ik weer dichter bij U, dan groeit mijn geloof door de ontmoeting met U, dan groeit mijn liefde door wat U vraagt. Leer mij door Uw liefde hoe ik in liefde leef, leer het mij door de wet van Uw liefde: Hier ben ik om uit liefde Uw liefde te doen. Zo wordt het moeten van God op de tafels van het hart geschreven. Wanneer het daar geschreven staat maakt het moeten het willen in ons wakker. Dan wordt de wet de kroon op de liefde die wij van God geleerd hebben. Die liefde voor God laat zich dan binden door de wetten van God in Zijn liefde.

Echte liefde laat zich binden. Echte liefde zegt: ja, ik wil, en daarom beloof ik het, waardoor ik het ook moet. Zo kroont het moeten de liefde. En dan is dus onze gehoorzaamheid geen set regels. Het is de uiting van onze liefde voor God. In Zijn wet horen we hoe Hij is, de enig ware God, die wij liefhebben.

 
Nog een voorbeeld

Zo preken, zo spreken, zo onderwijzen, dat is niet gemakkelijk. Het is veel makkelijker om te zeggen:
‘Ruim je rommel op’, ‘wordt niet dronken’, ‘ga twee keer naar de kerk’. En ik zal niet zeggen dat het mij altijd lukt, maar dat is wel de uitdaging om duidelijk te maken dat het gaat om de vraag hoe jij God in Zijn liefde weerspiegelt in het leven van elke dag.

Om het toch wat praktischer te maken geef ik nog een voorbeeld uit de bijbel. In de gelijkenis van de talenten11 gebiedt de Heer Jezus ons om met de gaven die Hij geeft – wat voor gaven dat ook zijn – aan het werk te gaan in Zijn koninkrijk. Er is verscheidenheid – de één krijgt vijf, de ander twee, een derde één – maar iedereen krijgt iets en allemaal moeten we aan God overhandigen wat we ermee hebben gedaan. Een wet om onszelf vruchtbaar te maken voor het koninkrijk.

Als je dan zegt: ‘Maar we zijn toch vrij? Leg het leven niet aan banden’, dan vergeet je dat Jezus in deze gelijkenis laat zien dat Hij komt om terug te eisen wat Hij gegeven heeft. En aan wie veel is gegeven, van diegene zal ook veel worden terug geëist, zegt Jezus bij een andere gelijkenis.12 Hij wil dat je voor Hem aan het werk bent in Zijn koninkrijk.

Dat is heel anders dan zeggen: ‘Ja, we moeten ons nou eenmaal allemaal een beetje inzetten om de boel draaiende te houden.’ Dat is ongeestelijk. Geestelijk is zeggen: ‘Natuurlijk help ik bij het koffieschenken, want ik wil de gaven die God geeft vruchtbaar maken voor het koninkrijk.’

En dat is dan het tweede. Het is niet maar: ‘Ja, ik mot nou eenmaal dat doen van God.’ Nee, het is je HEER, die jou Zijn bezit in bruikleen geeft en je aanspoort: ga er maar mee bezig. De gelijkenis laat zien dat wie er mee bezig gaat, een rijke zegen mag verwachten op zijn of haar werk, of je dat nu ziet of niet. Ga vrijmoedig aan het werk, want de Heer die komt is niet streng maar barmhartig, en Hij zegent het werk. Dan openbaart God zich als de gulle gever, als de rijke God, die ons in Zijn rijkdom laat delen, en die ons inschakelt in Zijn koninkrijk.

Wie dat ziet, die voelt zich rijk gezegend en wil ook daadwerkelijk zich zo voor God inzetten, in de zekerheid van Zijn zegen en Zijn liefde. Wie het wil door Gods liefde, die voelt: ik moet het ook. Niet als een keurslijf, maar omdat ik bij mijn lieve, trouwe Heiland hoor, die mij zo rijk gezegend heeft.

 
Afsluiting

‘Waarom mag dat niet’, ‘waarom moet dat?’, ‘wat vindt u daar eigenlijk van?’ Het zijn vragen die vragen om een antwoord waarin je de boel omdraait. Het begin en het einde is God: ‘Zie, hier – ook in deze regel – is Uw God. Zie Hem daarin, zie Zijn liefde en Zijn recht daarin.’

Dat betekent dat je ook alleen vanuit de verlossing kunt spreken. Want de HEER is onze God, door Jezus Christus. Jezus Christus Zelf is de ultieme openbaring van God.13 Als je Hem ontmoet leer je God kennen. Als je Hem ontmoet leer je Gods wet kennen. Voor Hem buig je. Op Hem vertrouw je.

En Hem volg je – geraakt door Zijn liefde moet je, en je wilt het – door de liefde van God in Christus.
 
 
H.T. Wendt


  1. Deze lezing volgt in grote lijnen een preek van S.G. de Graaf over zondag 34 (Graaf, S.G. de, Vuur op de aarde! IV (Goes: Oosterbaan & Le Cointre, [1936]), 3-13.
  2. Johannes 15:12
  3. 2 Korinte 1:18-20a
  4. Psalm 25:14
  5. Psalm 103:13
  6. Deuteronomium 33:27
  7. Jeremia 31:33
  8. Galaten 4:4
  9. Hebreeën 5:8
  10. Psalm 40:9
  11. Matteüs 25:14-30
  12. Lukas 12:48
  13. Hebreeën 1:1