Eeuwen lang wordt er in de kerk van Christus gepreekt. De Gereformeerde kerk die uit de Reformatie is ontstaan heeft de kerkelijke praktijk weer teruggebracht naar de beginselen die uit de Heilige Schrift voortvloeien. De belangrijkste opdracht die de kerk weer heeft opgepakt is de publieke verkondiging van het evangelie in de liturgie van de christelijke gemeente. De Gereformeerde kerk heeft herontdekt en vervolgens steeds uitgedragen dat prediking een opdracht is van de kerk. De prediking van het evangelie, waarin de goede boodschap van Christus telkens op zuivere wijze verkondigd wordt is een kenmerk van de kerk. Zo gelooft de Gereformeerde kerk dat en zo heeft ze dat in haar belijdenis opgenomen in art. 29 NGB (vgl. antw. 98 HC). Allereerst door dat middel wil God Zijn heilrijke werk op aarde doen en dat heeft Christus bedoeld, toen Hij de sleutels van het Koninkrijk aan de apostelen toevertrouwde. In de prediking van het levende woord wordt het koninkrijk voor de gelovigen ontsloten en voor de ongelovigen gesloten (vgl. antw. 83 en 84 HC).
De Gereformeerde kerk heeft altijd een nadrukkelijke opvatting gehad over de plek van de prediking in de eredienst. De eredienst als dialoog tussen God en Zijn volk. Een kerkdienst is in die zin een verbondsvernieuwing op grond van het offer van Christus. Sinds het einde van de 20e eeuw is er een geleidelijke ontwikkeling ontstaan waarin een veel lagere waardering te zien is van kerkdienst en prediking. Veel kerkdiensten worden gezien als samenkomsten van christenen waar God vanzelfsprekend bijkomt en waar de predikant slechts een woordvoerder is, in plaats van een door God geroepene om Hem te vertegenwoordigen. Dat zorgt ervoor dat er een neergaande lijn te zien is in de waardering van de preek. De preek wordt gezien als een ‘one-man’ optreden en doet geen recht aan het levensgevoel van de autonome mens. De preek wordt ervaren als een communicatie die overduidelijk niet-dialogisch van karakter is. Daar komt bij dat men tegenwoordig vooral de daad ziet als communicatie van het evangelie. De kerk wordt zo zelf gezien als woord van God voor de mens van vandaag. Kortom voor velen is de preek een cultuurbepaald verschijnsel.
Wij willen hier, tegen de dominante tijdsgeest in, de stelling verdedigen dat de prediking als publieke verkondiging van het heil van God niet een product van een bepaalde cultuur is. De opdracht voor de dienst van de prediking komt rechtstreeks voort uit Gods geopenbaarde wil.
Wij geloven in een levende God. Hij bewijst zich juist in Zijn spreken als de levende God, in de schepping en verlossing van deze wereld. Het heil is openbaar gemaakt door het spreken van God. En aangezien de openbaring van God per definitie geen product is van enige cultuur, is dit spreken van God geen cultuurverschijnsel.
Christus is als Zoon van God zelf het Woord van God. Sprekend kwam deze Christus tot de mens, waarbij Zijn daden achter zijn woorden aan kwamen om ze te bevestigen. Prediking is de weg-bij-uitstek voor het heil van God. Het ‘verhaal’ van Christus wordt slechts in de weg van de apostolische verkondiging in de generaties voortgeplant. Wie Christus de Zoon van God wil ontmoeten, is op de verkondiging van het Woord aangewezen. Titus 1:2,3.
God is een sprekende God. Daarom zal de primaire houding van Zijn volk de luisterhouding behoren te zijn. Door de prediking wordt de gemeente van Christus gegrondvest en voortgezet. Waar het woord is, komt het gehoor. Waar het gehoor is, komt het geloof in het Woord van de belofte. En waar het geloof is, regeert de genade. Sola Scriptura, Sola Fide, Sola Gratia zijn één.
De prediking kan niet worden opgevat als een soort middel dat aan de eigenlijke ontvangst van de genade voorafgaat of het denken daarover stimuleert. De genade zelf komt in het gepredikte woord naar mensen toe. In de woorden van liefde geeft God zich aan ons, zoekt Hij ons leven en verbindt Hij zich aan ons leven. De Here doet dat door middel van de belofte, d.w.z. van de prediking van het evangelie. Het woord belofte ziet hier op de wijze waarop God zijn heil in ons leven in stand houdt tegenover de aanvechtingen uit ons eigen geweten.
Belofte wijst dus niet op de toekomst, als zou het heil altijd voor ons liggen. Het gaat hier niet om voorzegging, maar om toezegging. In deze ‘zegging’ wordt opgeroepen tot het horen en het geloven. Het is een spreken in het kader van het verbond, dat door dat spreken tevoorschijn geroepen en in stand gehouden wordt. Tenslotte ligt in het ‘belofte-karakter van het heil’ besloten dat het heil van God niet een registreerbaar ‘ding’ in de vrome mens is, waarop de mens zijn vertrouwen mag stellen als op een verworven kapitaal. Het heil komt steeds opnieuw naar ons toe uit de mond van de sprekende God, die wij in de verkondiging ontmoeten.
Daarom moeten wij de zuivere prediking hoog blijven waarderen en als onmisbaar achten voor ons heil en onze heiliging en die plaats opzoeken waar deze plaatsvindt: Christus’ kerk.


Leeswijzer prediking